Brand

Brand is erger. Het is slechts een van de wijsheden die mijn moeder met regelmaat over ons uitstortte. In het onderhavige geval deed ze dat als ik weer eens met een onvoldoende voor Scheikunde thuiskwam. Of als mijn vader een boete had gekregen vanwege een snelheidsovertreding. En ook als het een hele dag regende op vakantie. ‘Brand is erger.’

Het spuien van zulke aforismen is een familietrek: de lijn loopt van mijn opa via mijn moeder naar mij. Onlangs vond ik dan ook een klein boekje, op de omslag waarvan mijn dochter toen ze ongeveer 8 jaar oud was tamelijk cynisch gekalligrafeerd had: ‘Wijsheden van mijn vader’.

Op pagina 1 stond: ‘Taal en tafelmanieren, daarin onderscheiden mensen zich van de bavianen.’ Op pagina 13: ‘Wouden zijn bossen’ (vaste prik als een van de kinderen zei: wij wouden). En op pagina 18: ‘We zijn hier niet bij de Kaninefaten.’ Dat zei ik als de algemene omgangsvormen te wensen over lieten. Ik moet een onuitstaanbare vader zijn geweest.

Hoe dan ook, ‘Brand is erger’ dachten wij niet toen in de Oudjaarsnacht de Vondelkerk in Amsterdam voor een deel in vlammen op ging. Wij brachten die avond door met vrienden van wie een schoonzoon in de Vondelkerk een werkplek heeft en leefden dus extra mee.

Het deed ons denken aan 2019 toen de Notre-Dame in Parijs in brand stond. De halve wereld keek geschokt toe hoe het vuur om zich heen greep. In Frankrijk zelf stond meteen vast dat kosten noch moeite zouden worden gespaard voor het hertstel. Een zaak van nationale eer.

Natuurlijk was de schaal in Amsterdam kleiner, maar de volgende dag bleken de reacties vergelijkbaar met die in Parijs. Er was verdriet, ook bij mensen die de kerk nooit van binnen hadden gezien. Buurtbewoners stonden er ontredderd bij. Een zei zelfs: ‘Mijn ziel is kapot’.

Paul van Geest, hoogleraar kerkgeschiedenis, verklaarde die heftigheid in Trouw. ‘Kerken zijn monumenten, ze zijn groot, publiek en historisch. Monumenten zijn van iedereen en bepalen onze identiteit dieper dan we denken. Zeker kerken, ook al gaan we niet meer naar de dienst. Ze geven oriëntatie. Als je terugkomt van vakantie en de toren ziet, dan ben je thuis.’

Voor kerkgangers gaat de betrokkenheid bij het kerkgebouw nog veel dieper, dat zien we steeds weer. Je kunt de grootste ketterij van de kansel verkondigen en er kraait geen haan naar. Maar als een kerk gesloten dreigt te worden, dan komt er pas echt wat los.

Kerkgebouwen doen er dus toe. Voor hen die er langslopen, en zeker voor hen die er binnenkomen.  Er is gedoopt, gevierd en gerouwd. Een kerkgebouw is gevuld met herinneringen. Wanneer zo’n gebouw wegvalt of dreigt weg te vallen, dan raakt dat aan wie we zijn. Het verlies ervan is niet alleen materieel, maar ook existentieel.   

Terug naar de Vondelkerk. Een week na de brand schreef Rikkert Zuiderveld (ja, die van Elly) er een ontroerend sonnet over bij een foto van de ravage in het Nederlands Dagblad.

Sneeuw

(een psalm)

Dit is er van mij over. Waar ik stond,
als baken tegen al het onvoorziene,
staat nu slechts mijn geraamte, een ruïne,
de balken liggen kruislings op de grond.

Ik ken mijzelf niet meer, verbrand, ontwricht,
een chaos die ik trachtte te ontwijken:
nu kan het raam bij mij naar binnen kijken,
de open deur slaat in zijn hengels dicht.

De wereld op zijn kop. Wie kon vermoeden
welk vuur er in mijn bovenkamer woedde?
Mijn schouders uit de kom, mijn ribben zwart.

Breng sneeuw Heer, sneeuw. Verf mijn geblakerd hart
weldadig wit, verberg mijn zere plekken,
bekleed mij om mijn schaamte te bedekken.

Mocht daaraan behoefte bestaan, dan kunt u zonder toestemming de column overnemen in kerkblad of op website.